Crossdokter Van Norel
30-04-2007  

De gouden handjes van crossdokter Van Norel


NIJMEGEN - De passie voor cross zit diep verankerd in de genen, maar de hartstocht voor het lichaam van de motorcrosser gaat verder.

 
Gerrit Jan van Norel heeft al heel wat topsporters op de tafel gehad, maar de chirurg blijft zich na ruim dertien jaar nog steeds verbazen over de fysieke fitheid van een motorcrosser. ,,Met zulke lichamen kunnen de Nederlandse topcrossers uitblinken in elke andere fysieke sport.''

De entree van de orthopedische afdeling van het Canisius ziekenhuis in Nijmegen ademt motorcross. Daniël Willemsen siert de wand, Erik Davids ook, net als de zijspannende broertjes Derks en Van Duijnhoven. Crossdokter Van Norel kan over iedereen uren verhalen, anekdotes als smeersel voor de stembanden. ,,Motorcrossers zijn een bijzonder slag volk. Zigeuners in een volledig eigen wereld. Als buitenstaander is het heel lastig om dat te begrijpen.''

Van Norel stapte in 1994 de zijspanwereld binnen, opgeroepen door de succesvolle zijspanbroers Jacky en Wiljam Janssen. Het Wijchense duo was op jacht naar het wereldkampioenschap toen Jacky zijn sleutelbeen brak. Van Norel, op skivakantie in Oostenrijk, bedacht een spalkconstructie voor de onfortuinlijke zijspanner. Hoewel de wereldtitel buiten beeld bleef, was een unieke samenwerking geboren. ,,Opeens kwamen steeds meer zijspancrossers voor behandeling naar mij toe. Ik raakte geïntrigeerd door het wereldje. Dat gevoel heeft me nooit meer losgelaten.''

Van Norel reisde meermalen mee naar WK-wedstrijden in het Oostblok. ,,Ze vertrouwen de medische zorg niet. Janssen ging dan in het rennerskwartier met de pet rond en betaalde mijn reis.'' Ook de buitenlandse combinaties droegen bij en profiteerden van het vakmanschap van de orthopedische chirurg. Met een gecrashte Fransman belandde Van Norel in een hospitaal in Oekraïne. ,,Hij had een gebroken bekken, maar wilde voor geen goud blijven. Ten onrechte, want die artsen verstaan hun vak echt wel. Maar er kwam zo'n grote, beetje enge verpleegster, die je ook wel eens in de James Bond-films ziet, op hem af met een zo mogelijk nog grotere spuit vol morfine. Hij was als de dood.''

Met alle extra crossconsulten heeft Van Norel er tegenwoordig een flinke baan bij. Geen motorcrosser gaat zomaar ergens naar het ziekenhuis. 'Eerste even Van Norel bellen'. De crossdokter weet het. ,,Tot ergernis van mijn thuisfront. Mijn vrouw snapt niet dat ik iedereen mijn mobiele nummer geef.'' Want crossers bellen op de meest on-christelijke tijden. ,,Wilfred van Werven, vanwege blessures al gestopt, hing jaren terug op een zondag om 23.30 uur aan de telefoon. De artsen in Zweden wilden hem na een crash in het ziekenhuis houden. Hij wilde mijn visie.''

Begin 2000 kwamen Daniël en Marcel Willemsen zwaar ten val. Van Norel was op congres in Antwerpen toen hij werd gebeld. Met de Italiaanse artsen volgde er vanuit het hotel koortsachtig telefonisch overleg. Marcel had een incomplete dwarslaesie opgelopen. ,,Het was heel ernstig'', weet Van Norel. ,,Samen met een Italiaanse collega, die als tolk en assistent fungeerde, hebben we op afstand voor Marcel de beslissing genomen om daar helemaal niets te doen. Dat was misschien wel het lastigste besluit uit mijn leven. Ik heb toen voor zeshonderd euro gebeld in dat hotel, maar achteraf was het dat waard.''

Marcel herstelde wonderwel van de verlamming. ,,Motorcrossers genezen sowieso ongelooflijk snel van een kwetsuur. Feit is dat de lichamen van die gasten er fantastisch uitzien en perfect gezond zijn. Motorcrossers zouden in veel fysieke sporten altijd uitblinken.''

Van onverantwoorde risico's van vakidioten op een crossmotor wil hij dan ook niet horen. ,,Ik neem echt geen risico's met die gasten. Maar het klopt dat ze na botbreuken al vlot weer op de motor zitten. Ze kunnen pijn lijden en zijn hard voor zichzelf. Hen kun je anders benaderen dan een voetballer, die een blessure vaak als uitvlucht gebruikt als hij uit vorm is. Een crosser wil geen excuses, hij wil rijden. Ik help ze daarbij.''

Bron: De Stentor

                                                                                                                                                     

[Verslag:  Han van Ulsen] 

 
 

 
 
                                                                                                 © Han van Ulsen 2007